Karin Jongsma benoemd tot hoogleraar
Wie technologie ontwikkelt, maakt keuzes. Over wat belangrijk is. Over wie er mee kan doen. Volgens Karin Jongsma moeten die keuzes niet pas achteraf worden beoordeeld wanneer een technologie al bestaat, maar juist al tijdens de ontwikkeling van de technologie. Per 15 februari 2026 is zij benoemd tot hoogleraar Ethiek van Medische Biotechnologie aan het Julius Centrum van het UMC Utrecht. In haar onderzoek kijkt ze hoe ethiek en technologische innovatie vanaf het begin samen kunnen optrekken.
Wat betekent de benoeming tot hoogleraar voor jou?
“Het is zowel een grote eer als een grote verantwoordelijkheid. Voor mij is het belangrijk dat ik in deze rol betekenisvol kan zijn voor de mensen met wie ik werk, voor de maatschappij en voor de wetenschap. Tegelijkertijd ga ik natuurlijk ook gewoon door met wat ik al deed: interessant onderzoek doen met leuke, slimme mensen met wie ik nu ook samenwerk en de brug slaan naar de maatschappij. Dus ergens verandert er heel veel, en ergens verandert er ook helemaal niks. Bij een nieuwe rol horen natuurlijk ook nieuwe verantwoordelijkheden. Je bent dan bijvoorbeeld eindverantwoordelijk voor promovendi, vertegenwoordiger van een vakgebied en je schrijft aanbevelingsbrieven voor prijzen of beurzen. Dat zijn allemaal dingen waar ik ook echt naar uitkijk, omdat ik de mensen met wie ik werk een mooie carrière toewens, de wetenschap een nog leukere werkplek wil maken en hoop dat ik daar in deze rol aan kan bijdragen.”
Hoe ben je in de bio-ethiek terechtgekomen?
“Ik ben via een omweg in de bio-ethiek terechtgekomen. Ik heb gezondheidswetenschappen gestudeerd en een onderzoeksmaster in gezondheidsbeleid gevolgd. Tijdens mijn studie merkte ik dat er in discussies over medische interventies vaak iets ontbrak. We zeiden bijvoorbeeld: deze interventie werkt, dus we kunnen hem implementeren. Maar ik vroeg me dan af: hoe weten we eigenlijk of zoiets goed is, of beter dan alternatieven, en of we het überhaupt zouden moeten willen? Voor mijn afstuderen deed ik een opdracht bij het Centrum voor Ethiek en Gezondheid. Daarna ben ik gepromoveerd in de medische ethiek. Sindsdien ben ik eigenlijk nooit meer uit dat vakgebied weggegaan. Het past ook goed bij mijn nieuwsgierigheid, want ethici zijn vaak breed geïnteresseerd en blijven lezen, leren en nadenken.”
Waar richt jouw onderzoek zich op?
“Wij doen onderzoek naar verschillende technologieën, van stamcellen tot neurotechnologie en digitale toepassingen zoals kunstmatige intelligentie (AI). Waar ik zelf vooral in geïnteresseerd ben, zijn vragen die gaan over de mens. Dus wat moet iemand die met zo'n systeem werkt eigenlijk weten, kunnen en doen om het op een goede manier te gebruiken? Bij AI gaat het bijvoorbeeld om vaardigheden om te kunnen inschatten wanneer een algoritme mogelijk een fout maakt. De mens is er niet alleen om de gevolgen op te vangen als zo'n systeem een fout maakt, maar juist ook om te helpen voorkomen dat zulke fouten ontstaan. Hetzelfde geldt voor neurotechnologie, zoals hersenimplantaten. Wat betekent zo'n implantaat voor de mensen die het gebruiken? Wat hebben zij nodig om die technologie zinvol te gebruiken en wat vraagt dat van hen? Dat soort vragen staan voor mij centraal.”
Hoe zien die ethische vragen eruit in de praktijk?
“Een voorbeeld van een project waar we nu aan werken gaat over mens-AI-samenwerking. In de medische literatuur wordt vaak gezegd dat dit type samenwerking de beste manier is om de voordelen van AI in de medische praktijk te realiseren. Tegelijk roept het ook veel vragen op. We weten bijvoorbeeld uit onderzoek naar samenwerking tussen mensen dat er verschillende vormen van samenwerking bestaan, zoals met een assistent of met een collega-wetenschapper, en dat die verschillende voordelen kunnen opleveren. Bovendien lukt niet elke samenwerking vanzelf: er zijn bepaalde randvoorwaarden nodig om die voordelen überhaupt te laten ontstaan. In dit project proberen we daarom te verduidelijken wat precies bedoeld wordt met mens-AI-samenwerking, of die daadwerkelijk voordelen kan opleveren en op welke manier. Dat is niet alleen een analytische puzzel, maar helpt ook om te bepalen wie in de praktijk met welk type AI en op welke manier zou moeten samenwerken.”
Wie moet hierover meedenken, en wanneer?
“Een van de manieren waarop wij ethisch onderzoek doen noemen we ethisch parallel onderzoek. Het idee daarachter is dat ethiek niet pas achteraf moet komen, wanneer een technologie al uitontwikkeld is. Op dat moment is het vaak heel lastig om een technologie nog aan te passen. Daarom proberen wij juist veel eerder in het proces betrokken te zijn. In de vroege fase van technologische ontwikkeling worden namelijk allerlei keuzes gemaakt die misschien technisch lijken, maar die wel bepalen wie de technologie kan gebruiken en wat die gebruiker nodig heeft. In ons werk proberen we daarom niet zozeer achteraf te evalueren, maar juist vanaf het begin mee te denken.”
Je benadrukt het belang van 'samen'?
“Ja! Dus niet denken over onderzoekers en patiënten, maar denken mét hen. Schouder aan schouder proberen we te bedenken hoe we technologie zo goed mogelijk kunnen vormgeven. In die vroege fase van ontwikkeling varen onderzoekers vaak nog sterk op aannames. Onderzoekers denken bijvoorbeeld soms dat ze wel weten wat patiënten willen. Maar als je met patiënten spreekt, blijkt dat er vaak veel meer nuance is. Een voorbeeld uit ons onderzoek naar hersenimplantaten is dat veel patiënten de esthetiek van de technologie, dus onder andere hoe zichtbaar die is, heel belangrijk vinden. Dat hadden de onderzoekers zelf veel minder op hun radar. Terwijl dat natuurlijk grote gevolgen kan hebben voor het ontwerp van de technologie, bijvoorbeeld voor de manier waarop bedrading loopt of hoe groot een batterij moet zijn. Dat soort gesprekken laten zien dat een ethicus ook verschillende groepen met elkaar kan verbinden, zoals onderzoekers, zorgverleners en patiënten. Dat vind ik een van de mooiste kanten van dit werk.”
Technologie ontwikkelt zich razendsnel. Kan ethiek dat tempo bijhouden?
“Technologie gaat inderdaad snel vooruit, maar ethiek gaat over dingen die altijd relevant blijven, los van hoe de technologie eruitziet. Denk aan begrippen zoals autonomie, rechtvaardigheid en verantwoordelijkheid. Die vragen blijven bestaan, hoe goed of geavanceerd de technologie ook wordt. In die zin is ethisch onderzoek eigenlijk best tijdloos. Tegelijkertijd kunnen nieuwe technologieën die concepten wel in een nieuw licht zetten. Digitale technologie en AI roepen bijvoorbeeld nieuwe vragen op over hoe we tot kennis komen en wat we als kennis beschouwen. Als een AI-systeem tot een bepaalde diagnose komt, wat moeten we daar dan mee doen? Moeten we dat controleren? Kunnen we er blind op varen? En wat doen we als een AI-systeem een fout maakt, of als een arts een fout maakt met behulp van AI? Dat zijn allemaal vragen die raken aan de basis van medische kennis.”
Wat hoop je met deze leerstoel te bereiken?
“Ik hoop dat we de komende jaren nog meer van dit soort onderzoek kunnen doen en dat we ethiek nog sterker kunnen integreren in zowel de medische praktijk als het medisch onderwijs. In mijn onderwijs probeer ik studenten en onderzoekers vooral aan te moedigen om kritisch na te denken over hun eigen aannames en ideeën over hoe de wereld in elkaar zit. Niet omdat iedereen een ethicus moet worden, maar omdat die kritische houding juist nieuwsgierigheid stimuleert. En nieuwsgierigheid is volgens mij een van de belangrijkste eigenschappen van een goede wetenschapper en arts. Als er in een college of gesprek een moment komt waarop iemand denkt: wacht even, hier gebeurt iets interessants, dat is fantastisch. Dat zijn de momenten waarop je merkt dat ethiek echt iets kan toevoegen aan wetenschap en zorg.”
Foto: Fabian Landewee
Karin Jongsma spreekt haar oratie uit op 11 februari 2027.